Meditatie

Bekering

'En Saulus stond op van de grond; en toen hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus.' (Handelingen 9:8).

Saulus - zo heette Paulus voor zijn bekering - was een bijzonder vrome jongeman. Geboren in Tarsen in Silicië (het tegenwoordige zuidoost-Turkije) was hij al op betrekkelijk jonge leeftijd naar Jeruzalem gekomen om aan de voeten van Gamaliël de wet te bestuderen. Door zijn grote intellect maakte hij snel vorderingen, maar ook zijn ijver in de godsdienst nam geweldig toe. Hij werd een echte Farizeeër: hij sloot zich aan bij de strengste richting van het jodendom, die zeer ijverde voor de wet van God. En hoe diep die ijver wel zat, bleek bij de terechtstelling van Stefanus. Toen deze eerste christelijke martelaar stierf, paste Saulus op de kleding van de stenenwerpers. En hij had er echt plezier in! Met grote ijver begon hij zich daarna toe te leggen op de vervolging van de christenen. Later schrijft hij (Handelingen 26: 10-11), dat hij in alle synagogen Jezus-belijdende joden opspoorde. Daarbij deed hij al het mogelijke om hen tot geloofsafval en tot lastering van Jezus' naam te brengen. Hij wil ook naar Damascus, want ook daar zijn veel christenen. Ook hén wil hij in de kerkers van Jeruzalem hebben. Daarom gaat hij naar de hogepriester en verlangt van deze brieven die dit mogelijk maken.
Saulus wilde door bruut tegen de christenen op te treden, in de gunst komen bij het Sanhedrin en ten diepste in de gunst bij God. Hij wilde door het doen van goede werken - en daar viel het bestrijden van Jezus' volgelingen volgens hem ook onder! - de hemel bereiken! Wat was Saulus blind! Blind voor wat de wet van God eist (namelijk liefde). Blind voor wie God is. Blind voor wat er ten diepste in zijn eigen hart aan zonde schuilging! Als je dat tegen hem gezegd zou hebben, zou hij dat stellig ontkend hebben! Hoe nodig is het dat de Heilige Geest ons laat zien wie we voor God zijn. We kunnen in eigenwijsheid en zelfgenoegzaamheid immers blind zijn voor onszelf.

Gelukkig stopt de geschiedenis van Saulus hier niet, want dan zou het er slecht voor hem hebben uitgezien! De Heere is genadig! Hoewel dat op het eerste gezicht niet zo lijkt, want Saulus wordt hard aangepakt en tegen de grond gewerkt. Het is op het heetst van de dag (Handelingen 22: 6). De stoet rabauwen met Saulus aan het hoofd nadert de stad Damascus. Maar dan ineens... een licht feller dan dat van de zon! Het omstraalt Saulus en al de anderen. Het zet hen helemaal in de schijnwerpers. Ze vallen ter aarde. Anderen horen slechts geluid, maar Saulus hoort ook een stem. Die spreekt hem aan in zijn eigen taal en noemt zijn naam: 'Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?! Het is u hard om hielen tegen de prikkels te slaan!'
Wat moet dat een ontstellend moment voor Saulus geweest zijn. Een stem uit de hemel! En dan geen stem vol vertroosting of bemoediging, maar een stem vol aanklacht, droefheid en bedreiging. Saulus wordt gesteld in de tegenwoordigheid van de Allerhoogste! Zou een mens dan niet vrezen, zeker als hij een kwaad geweten heeft? Het licht is een teken van Gods alwetendheid. God kent Saulus door en door. Dit licht ontdekt hem eraan, dat hij volkomen op de verkeerde weg is. In plaats van voor God, strijdt hij tegen God. In plaats van Gods vriend, is hij een vijand. Het licht is ontdekkend en ontmaskerend!
Wat zal Saulus geschrokken zijn. En toch is juist zo'n schrik heilzaam en nuttig. Is het niet om diep dankbaar voor te zijn, als de auto waarin je rijdt, vlak voor de afgrond tot stilstand komt, al is het met een geweldige ruk en al breek je er de botten van? Is het niet goed, wanneer een mens die van zichzelf dacht dat hij op de goede weg was, maar God niet wezenlijk vreesde, tot inkeer wordt gebracht? Anderzijds moet dit moment wel verbijsterend zijn geweest! Het valt niet mee, als je zogenaamde vroomheid door God ineens overhoop wordt gegooid! Als je denkt op de goede weg te zijn, en toch op een heilloos spoor blijkt te lopen! Als je goede werken ineens waardeloos blijken te zijn! En toch ... hoe nodig en hoe heilzaam!
Saulus is onthutst en verward. 'Wie bent U, Heere?' 'Ik ben Jezus, die gij vervolgt.' Jezus de Nazarener, die hij als een dwaallicht vervolgde, blijkt niemand minder te zijn dan de verhoogde Messias, de hemelse Koning. Bevend klinkt het: 'Wat wilt Gij, Heere, dat ik doen zal?'

Saulus is blind geworden van het felle licht. Deze blindheid zal de eerste dagen aanhouden. Toch is deze blindheid het begin van zijn geestelijk herstel. Al kan hij op dit moment zijn ogen niet meer gebruiken, in ieder geval heeft hij wel een helder zicht gekregen op wie hij zelf is, op wie God is en op wie Jezus is. Toen de luiken naar de wereld dichtgingen, ging bij hem het venster naar de hemel open! Drie dagen en nachten brengt hij straks worstelend, met vasten en bidden, door. Ze zijn nodig om hem geestelijk tot het juiste inzicht en tot de overgave van het geloof te brengen.
Saulus is totaal veranderd. Alles komt ondersteboven te liggen. Als een vorst, hoog te paard kwam hij naar Damascus gereden. Als een blinde stumper moet hij door anderen de poort worden binnengebracht. In plaats dat hij mensenhanden bindt, nemen anderen hem nu bij de hand! In de straat genaamd 'De Rechte' vindt een hartgrondige verandering en vernieuwing plaats. De vervolger der christenen wordt een volgeling van Jezus, en straks een vervolgde om Zijns Naams wil. De knappe, zelfbewuste man wordt een bedelend kind, dat vraagt om leiding: 'Wat wilt U, dat ik doen zal?' De eigengerechtigde Farizeeër wordt een ootmoedige smekeling!
Tegen Ananias zegt Jezus over Saulus: 'Zie, hij bidt!' Deze woorden typeren de verandering. Van iemand die genoeg had aan zijn eigengerechtigheid en kracht, wordt hij tot iemand die Gods vergeving en kracht nodig heeft. Niet dat Saulus voorheen nooit bad. Maar hij had nog nooit zó gebeden.
Wij hebben ook bekering nodig. Naar de specifieke bijzonderheden van Saulus' bekering hoeven we niet te verlangen. Bepaalde dingen zijn echter ook voor ons noodzakelijk. Inkeer is nodig en het verlichtend werk van de Heilige Geest, die de schuilhoeken van ons hart doorzoekt en bloot legt. Nodig is dat we onze hoogmoed verliezen en het boetekleed aantrekken. Nodig is dat we onze eigenwijsheid verloochenen, om de leiding van de Heere te begeren en te ontvangen. Nodig is dat we onze zonden van ganser harte belijden, opdat wij vergeving mogen ontvangen!

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.

Ds. A.J. van den Herik

Gedicht

Die ging, om t' arresteren,
Werd zelf gearresteerd.
God wilde hem bekeren.
Heeft hem in 't stof verneêrd.
Daar klonk het uit den hoge:
'Saul, wat vervolgt gij Mij?'
En hij, verbaasd, bewogen,
Vraagt: 'Heere, wie zij het Gij?'

Al, wat 'k bedenk, o Heere,
Sla 't in mijn handen stuk.
Als 't niet bedoeld uw ere,
Maar ramp en ongeluk.
En mocht ik nog op wegen
Van eigen maaksel gaan:
Och, kom Gij Zelf mij tegen!
Wil m' ook in boeien slaan!

Ontneem mijn vrome brieven,
Die ik nog bij mij draag
En Uwe Naam slechts grieven;
Waarin ik U uitdaag.
Werp mij in mijne schande
dan ook in 't stof terneer;
en doe mij daar belanden
Aan Uwe voeten, Heer'!

Ds. F. Kijftenbelt