Meditatie

'Ik heb de HEERE lief, want Hij hoort mijn stem, mijn smeekbeden. Want Hij neigt Zijn oor tot mij, daarom zal ik Hem al mijn dagen aanroepen.' (Psalm 116:1–2)

Met hoeveel innerlijke vreugde is dit lied de eeuwen door gezongen. Allereerst is het gezongen door de dichter zelf, maar later is het overgenomen door anderen die de waarheid van deze woorden in hun hart gevoelden.
Deze psalm is een danklied, een lied van lofprijzing op de HEERE, die redde uit grote nood. De dood was de dichter zeer nabij geweest. Waarschijnlijk was hij getroffen door een ernstige ziekte die hem ten grave dreigde te slepen. Vooral geestelijk was het donker voor hem. De HEERE scheen zo ver weg. In zijn nood had hij ook alle vertrouwen op mensen verloren. Bittere verwijten waren over zijn lippen gekomen. Hadden zijn vijanden soms behagen in zijn lijden? 'Ik zei, in mijn haast: Alle mensen zijn leugenaars.' (vers 11). Hij voelde zich eenzaam en verlaten, en niet tegen de dodelijke dreiging opgewassen.
In die nood had hij echter zijn handen gevouwen en zijn knieën gebogen. En het wonder was gebeurd: de HEERE hóórde. Vanuit de hoge hemel had God geluisterd naar zijn stem, naar zijn smekingen. Hij had Zijn oor geneigd.
Een prachtig beeld gebruikt de dichter hier: het neigen van het oor. Je kunt je hierbij het best een ziekenverzorgende voorstellen. De patiënt kan niet meer zo goed spreken. Slechts een zwak geluid komt over z'n lippen. Nauwelijks verstaanbaar. Daarom buigt de verplegende zich helemaal over het bed heen, met de hand aan het oor, om toch maar niets te missen. Hij neigt zijn oor. Hij buigt zich met de hand aan zijn oor, om de oorschelp groter te maken. Zó ziet de dichter de HEERE. Is dat geen ontroerende belijdenis? Komt hier het beeld van de HEERE niet treffend naar voren als de Hoorder der gebeden?
De dichter is diep geraakt door deze grote genade, en daarom breekt hij nu in een lofzang uit. Deze God heeft hij lief, van ganser harte. Hij komt over Hem niet uitgesproken: 'De HEERE is genadig en rechtvaardig, onze God is een Ontfermer' (vers 5).
Bij zijn dankbaarheid hoort een dankoffer in de tempel. Bij zo'n dankoffer vond een soort maaltijd plaats. De offeraar nam daarvoor een lam mee naar de tempel. Een deel van dat lam ging in rook op voor de HEERE, maar een ander deel diende als maaltijd voor de offeraar, zijn gezin en de dienstdoende priester. Bij zo'n maaltijd werd ook wijn gedronken: de beker der dankzegging.
Psalm 116 is één van de Hallel-psalmen. Deze psalmen (111/113-118) werden gezongen bij de Paasmaaltijd. Op het Pascha dacht Israël aan de uittocht uit Egypte: hoe God hen verlost had uit de tirannie van de farao. Bij die gelegenheid gezongen, kreeg psalm 116 een nog diepere betekenis: het bezong Gods grote daden aan Israël betoond.
Ook de Heere Jezus heeft deze psalm gezongen. Namelijk toen Hij zojuist het Heilig Avondmaal had ingesteld. Daarom is deze psalm bij uitstek een Avondmaalspsalm geworden. De gedachten van de vrome Avondmaalsganger worden erin vertolkt. Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem! Temidden van het aanzittende volk, mag een gelovige de HEERE danken voor Zijn genade, vooral betoond in het Offer op Golgotha.

Psalm 116 bezingt de grootheid van Gods verlossingen. Uit persoonlijke nood, uit nationale nood, en uit geestelijke nood. 't Is daarom niet vreemd, dat deze psalm zo geliefd is geworden. 't Is een lied van de hele Kerk geworden, van Gods gemeente van Oud en Nieuw Testament. Geen christen kan daarom om Psalm 116 heen. Wie iets van het leven des geloofs verstaat, stemt in met de dichter:

Ik zal met vreugd' in 't huis des HEEREN gaan,
om daar met lof Uw grote naam te danken.
Jeruzalem, gij hoort die blijde klanken.
Elk heff' met mij de lof des HEEREN aan.